MeijsNatuurBoeken

Specialist in wilde flora en fauna

Details

In winkelwagen plaatsen
Titel Metamorphosis Insectorium Surinamensium, Het meesterwerk van een 17e-eeuwse vrouw die de natuur tot kunst maakte; tot 1-1-2017 99,00 daarna 119,00
AuteursMaria Sybilla Merian
Uitgever 
Prijs van: € 119,00 voor: € 99,00
TaalNederlands;
Jaar van uitgifte2016
ISBN978 94 014 33785
200 pagina′s

Een veelbewogen leven

Maria Sibylla Merian werd in 1647 in Frankfurt geboren als dochter van Matthaeus Merian en Johanna Sibylla Heim. Haar vader had in 1623 de uitgeverij overgenomen van Johann Theodor de Bry, de vader van zijn eerste vrouw. Matthaeus Merian genoot grote bekendheid als graveur. Zijn zonen, Matthaeus jr. en Caspar bleken het talent van hun vader te hebben geërfd en maakten beiden naam als graveur en afzetter.1 Hoewel Maria Sibylla haar vader niet gekend heeft - hij overleed toen zij drie jaar oud was – bleek ook zij begiftigd. Haar moeder hertrouwde met de kunstschilder Jacob Marrel. Maria Sibylla kreeg les van hem, zeer waarschijnlijk vooral in de waterverftechniek, want omdat het vrouwen in veel Duitse steden niet was toegestaan werk in olieverf te verkopen, leek het verstandiger je als vrouw te bekwamen in aquarel en gouache.2 In 1665 trouwde Maria Sibylla met Johann Andreas Graff. Hun dochter Johanna Helena werd geboren in 1668. In dat jaar verhuisde het echtpaar naar Neurenberg, de geboorteplaats van Graff. In Neurenberg maakte Maria Sibylla aquarellen, vooral van bloemen. Op de planten vond ze rupsen die ze met meer en minder succes probeerde te laten verpoppen en ontpoppen tot vlinder. De fascinatie van de diepgelovige Merian met de rups en de vlinder wordt ook wel verklaard uit de metamorfose als metafoor: de rups is de mens op aarde, de pop is diens (schijn)dood en de vlinder de ziel die opgaat naar God. Maar dat religieuze motief was beslist niet haar enige beweegreden. Ze kon zeer scherp observeren. Ze beschreef wat ze zag en was in staat om die waarneming in steeds mooiere composities weer te geven. Haar aquarellen werden gebundeld tot het uit drie delen bestaande Neues Blumenbuch, waarvan het eerste deel in 1675 door haar man werd uitgegeven. Op veel van de bloemen waren al insecten te zien. Maar vier jaar later publiceerde ze een boek over het onderwerp dat haar levenswerk zou worden: Der Raupen wunderbare Verwandelung. In de ondertitel staat dat in dit boek de insecten met een ‘eine gantz-neue Erfindung’ onderzocht en beschreven worden. Zij was de eerste die de rups en de vlinder afbeeldde met hun voedselplant en met haar empirische manier van onderzoeken kon ze bevestigen wat Francesco Redi in 1668 had vastgesteld: insecten komen ook uit eitjes en ontstaan niet door spontane generatie zoals tot dan toe werd beweerd.3 Na de dood van haar stiefvader in 1681 ging Maria Sibylla met haar gezin (in 1678 was haar tweede dochter, Dorothea Maria geboren) terug naar Frankfurt om haar moeder te ondersteunen. Daar publiceerde ze nog het tweede deel over de rupsen maar in 1685 besloot Maria Sibylla zich met haar dochters en haar moeder aan te sluiten bij de Labadisten.

Merian was een vrome vrouw, zoveel wordt wel duidelijk uit haar publicaties in die tijd.4 De geloofsgemeenschap waar zij heen ging was genoemd naar Jean de Labadie, een voormalig Jezuïet. De kern van zijn gedachtegoed was te leven als de eerste christenen: vroom, sober en gemeenschappelijk; ieders inkomen werd gedeeld. De Labadie moest Amsterdam verlaten omdat de predikanten van de gereformeerde kerk zijn leer onverenigbaar vonden met die van de heersende kerk. Een breekpunt was bijvoorbeeld het feit dat als een getrouwde vrouw zich tot de gemeenschap bekeerde, het huwelijk als ontbonden kon worden beschouwd. Via een verblijf in Altona in Denemarken, vestigden de Labadisten zich in 1675 in Wieuwerd (Friesland) op de Walta state van Van Aerssen van Sommelsdijk. Maria Sibylla klopte aan deze poort en werd toegelaten. Haar halfbroer Caspar woonde er al. Haar man Johann Andreas Graff was weliswaar met zijn vrouw, kinderen en schoonmoeder meegereisd, maar kreeg geen toestemming binnen te komen waardoor voor de Labadisten het huwelijk van Graff en Merian ontbonden was5, maar de officiële scheiding zou pas in 1692 worden bekrachtigd. Na de dood van haar halfbroer (1686), haar moeder (1690) en de uitbraak van een epidemie die in 1691 in Wieuwerd veel slachtoffers maakte, verhuisde Maria Sibylla met haar dochters naar Amsterdam. Daar, in de Vijzelstraat, begon ze haar eerste atelier. Uit deze periode zijn aquarellen van haar hand en van die van haar dochters overgeleverd. Johanna Helena had zich tot een bekwame aquarellist ontwikkeld en Dorothea Maria zou haar daarin volgen. Merian maakte naam. Ze leerde vooraanstaande Amsterdammers kennen, mannen die zich bezighielden met de bestudering van de natuur en het verzamelen van rariteiten, als Nicolaes en Jonas Witsen, Frederik Ruysch, en later ook Albertus Seba.

Suriname

De zusters Van Aerssen van Sommelsdijk hadden een plantage in Suriname waar Labadisten woonden en werkten. Tijdens haar verblijf in Friesland had Merian dieren gezien die daarvandaan naar Wieuwerd waren gezonden. In Amsterdam bezocht zij verschillende rariteitenkabinetten met bijzondere vlinders en andere dieren die door opvarenden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) naar de Republiek waren gebracht. Gedreven door de wens deze schepselen in leven te bestuderen, vertrok ze in juni 1699 met haar jongste dochter, Dorothea Maria, naar Suriname. Veel van haar onderzoek verrichtte ze op één van de plantages van de heer Van Vredenburg aan Carameca-kreek, een zijtak van de rivier de Commewijne. In april 1700 werkte ze op de plantage van de Labadisten, ver stroomopwaarts aan de Surinamerivier. Ze werd ziek en in juni 1701 reisden moeder en dochter met stapels gekleurde schetsen, opgezette vlinders en levende rupsen terug naar Amsterdam waar ze op 23 september van dat jaar arriveerden. Ergens in deze jaren verhuisde Merian met haar jongste dochter naar de Nieuwe Spiegelstraat tussen de Kerkstraat en de Prinsengracht; haar oudste was al in 1692 getrouwd met de Amsterdamse koopman Jacob Hendrik Herolt. In het nieuwe huis werkten ze alle schetsen en onderzoek uit tot een boek over de Surinaamse insecten. Op 15 november 1703 – ze was toen dus twee jaar terug uit Suriname - adverteerde Merian in de Oprechte Haerlemsche Courant. Ze schreef dat ze een derde van haar boek over de Surinaamse insecten klaar had, en dat het werk bij boekverkopers in de ‘voornaemste’ steden te koop was. Ook meldde ze dat bij haar in de Nieuwe Spiegelstraat de originele tekeningen, de gedrukte vellen en de beestjes zelf konden worden bezichtigd. Het daaropvolgende jaar plaatste ze nogmaals advertenties om mensen op te roepen zich in te tekenen op het boek. In december 1704 schreef ze dat een ongekleurde uitgave nog voor 15 gulden kon worden besteld, maar dat het werk binnenkort 18 gulden zou gaan kosten. Rond deze tijd vond Merian een nieuw huis in de Kerkstraat tussen de Spiegelstraat en Leidsestraat.

Surinaamse insecten

In de eerste maanden van 1705 werd het boek daadwerkelijk gepubliceerd: Metamorphosis insectorum Surinamensium. Ofte Verandering der Surinaamsche insecten.6 De kopers konden kiezen tussen een Latijnse en een Nederlandstalige uitgave en een gekleurd of ongekleurd exemplaar. Het voorwoord van het boek was gericht aan de lezer. Merian had de productie ervan zelf bekostigd. Ze liet de tekst weliswaar elders drukken, maar ze trad zelf als uitgever op. Van de gravures waren er drie door het Merian-atelier gemaakt. De andere plaatsnijders waren Joseph Mulder (21 gravures), Pieter Sluyters (35 gravures) en Daniël Stopendaal (1 gravure). In haar voorwoord gaf ze veel informatie over haar overwegingen en de manier waarop het werk tot stand was gekomen. Over de tekst schreef ze dat ze die beperkt had tot haar eigen waarnemingen en dat ze de uitleg daarvan graag overliet aan de geleerde lezer. Wel liet ze Caspar Commelin, destijds verbonden aan de Amsterdamse Hortus Medicus (nu Hortus Botanicus), een wetenschappelijke toelichting schrijven op de door haar beschreven en afgebeelde planten. Er kwamen lovende kritieken uit Engeland en Merian werd bekend. Reizigers die Amsterdam aandeden zochten haar op in haar atelier, zoals Zacharias von Uffenbach op 23 februari 1711. Hij kreeg veel van haar werk te zien en schreef dat hij het Surinaamse insectenboek ongekleurd voor 15 gulden kon kopen en gekleurd voor 45 gulden. Hij kocht naast enkele originele tekeningen de gekleurde uitgave van Raupen voor 20 gulden (dat kostte ongekleurd 5 gulden).7 Peter de Grote bezocht in 1716 en 1717 voor de tweede keer Nederland. Hij was onder andere op zoek naar kunst en naturalia. Voor de kunstaankopen werden Peter de Grote en zijn gezelschap in Amsterdam begeleid door de kunstenaar Georg Gsell, die Merian en haar werk goed kende, en later zelfs met haar jongste dochter Dorothea Maria zou trouwen. Via zijn bemiddeling zijn twee foliobanden met 254 aquarellen van Merian in Sint Petersburg terechtgekomen. En de lijfarts van Peter de Grote, Robert Erskine, kocht het voor de wetenschap zo belangrijke studieboek van Merian. Ook dat ligt nu in Sint Petersburg. Hoewel Merian en haar werk dus bekend waren, zijn in openbare collecties wereldwijd niet meer dan 60 exemplaren van de eerste editie uit 1705 te vinden. In particulier bezit zullen er ongetwijfeld ook nog enkele zijn, en ook losse platen zullen kopers gevonden hebben. Maar wat de oplage was en hoe goed het werk verkocht, is niet exact vast te stellen omdat van het Merian-atelier geen administratie overgeleverd is.8 Veel van wat we weten komt uit de verslagen van bezoekers of uit brieven, zoals uit de correspondentie van Merian met Johann Georg Volkamer uit Neurenberg. Dat het een gewild boek was blijkt wel uit het vervolg.

Laatste uitgaven

Maria Sibylla Merian overleed op 13 januari 1717. Een jaar later trouwde de eerder genoemde Gsell met haar dochter Dorothea Maria. Het paar vertrok nog dat jaar naar Sint Peterburg. Dorothea Maria ging er werken aan de Kunstkamera, die toen net was gebouwd om de collecties van Peter de Grote te herbergen en te tonen. Vlak voor haar vertrek verkocht Dorothea Maria uit de inboedel van haar moeder boeken, en ook “… de platen, plaatdrukken en letterdrukken, zo afgezet als onafgezet” aan de Amsterdamse uitgever Joannes Oosterwijk.9 Hij publiceerde in 1719 de Surinaamse insecten opnieuw, uitgebreid met nieuwe platen, waaronder enkele gebaseerd op informatie van Albertus Seba. De werken van Merian werden in de achttiende eeuw nog enkele malen heruitgegeven: in 1726 door de Haagse uitgever P. Gosse, in 1730 door Amsterdammer J.F. Bernard en in Parijs in 1771 door L.C. Desnos. Dat geeft aan hoezeer het boek in trek was en bleef. In 2017 is het driehonderd jaar geleden dat Maria Sibylla Merian overleed. Ter gelegenheid daarvan vinden tal van activiteiten plaats zoals een wetenschappelijk congres en lezingen over deze bijzondere vrouw. Tegelijkertijd heeft uitgeverij Lannoo besloten een facsimile uit te brengen van het exemplaar van de eerste druk uit 1705 uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag), in samenwerking met deze bibliotheek, zodat de moderne lezer ook zelf kan vaststellen hoe gedetailleerd en kleurrijk de insecten en vruchten zijn afgebeeld. Het werk onder redactie van twee conservatoren van collecties met belangrijke natuurhistorische werken, dr. Marieke van Delft (Koninklijke Bibliotheek) en drs. Hans Mulder (Artis Bibliotheek Amsterdam), wordt voorafgegaan door enkele essays die aspecten van Maria Sibylla Merian en haar tijd belichten. Allereerst een biografische inleiding van de hand van de kunsthistorica dr. Ella Reitsma. Dr. Kay Etheridge, hoogleraar biologie aan het Gettysburg College behandelt de betekenis van Merian voor de biologie en dr. Bert van de Roemer gaat in op Merian in haar tijd. Ten slotte behandelen de redacteuren de productie van het boek van Merian over de Surinaamse insecten. De inleiding is tweetalig. Bovendien zal een Engelse vertaling van alle teksten van Merian in het boek opgenomen worden. De dieren en planten in het boek worden via een uitgebreide wetenschappelijke index ontsloten.